Workshop beoordelen validatieonderzoeken

In samenwerking met de Inspectie SZW organiseerde de klankbordgroep asbest op 27 juni 2017 een workshop over het beoordelen van validatieonderzoeken volgens SCi-548. Hieronder staan de vragen die tijdens de workshop zijn gesteld. De vragen worden door een werkgroep besproken en, indien nodig, met anderen zoals Ascert, SZW en TNO besproken. Zodra er een vraag op een vraag is, zal deze hieronder worden opgenomen.

Dit standpunt van de Inspectie SZW is gebaseerd op de tekst van SCi-548 en algemene arbeidshygiënische principes.
De norm is 9 metingen; 3 metingen is een ‘minimum’ aanpak. Bij 3 metingen is een ‘tussentoets’ toegestaan. Het is een beslismoment: Als één of meer van de 3 metingen boven de grenswaarde zit, is de validatie niet geslaagd (in geval van een gewenste terugschaling naar RK1).

Als alle drie de metingen <10% van de grenswaarde liggen, is de validatie geslaagd en kan het werk in RK1 gebeuren.

Als een of meer resultaten tussen 10-100% van de grenswaarde liggen, dan moeten er nog minimaal 6 aanvullende metingen gedaan worden.

In de SCi-548 staat dat waarschijnlijk aan de referentiewaarde wordt voldaan als alle 8-uur TGG vezelconcentraties beneden 10% van de referentiewaarde liggen. De term “waarschijnlijk” zorgt voor onduidelijkheid. De klankbordgroep zal Ascert voorstellen om de formulering aan te passen.

Niet de individuele DIA maar het asbestinventarisatiebureau is verantwoordelijk voor het besluit om een validatierapport wel of niet over te nemen.

Als een DIA niet achter het validatierapport staat dan moet hij daar geen verantwoordelijkheid voor nemen.

Het is bij het inventarisatiebureau vaak niet de DIA die een extern validatierapport beoordeelt, maar b.v. een arbeidshygiënist of een bedrijfsleider. Er zijn geen kwalificatie-eisen gesteld aan de persoon die een validatierapport autoriseert en een validatierapport hoeft niet door een gecertificeerd bureau te worden opgesteld. De klankbordgroep gaat Ascert voorstellen, dat een validatierapport wordt geautoriseerd door een gecertificeerde arbokerndeskundige.

De checklist bevat de voornaamste punten. Hier kan niet verder in geprioriteerd worden. Download hier de checklist (pdf)

Uiteindelijk draait dit om vakkennis. De beoordelaar van het validatierapport moet kunnen inschatten hoe ernstig de afwijkingen of tekortkomingen zijn.

Tijdens de workshop is al gesteld dat dit voorbeeld een ‘Broodje Aap verhaal’ blijkt te zijn. Een ISZW-inspecteur legt niet stil als dit de enige afwijking is.

Wel is het goed om nogmaals te benadrukken dat bij validatie alle metingen betrekking moeten hebben op dezelfde handeling/dezelfde methodiek (dus niet meer “regulier/robuust/worst case”) en dat de validatie vervolgens alleen van toepassing is op een sanering waarbij diezelfde methodiek wordt gehanteerd.

Validatie wordt niet uitgevoerd door labs; allerlei bedrijven doen dit nu.
Het plaatsen van pompen e.d. (het monsternemen) is een genormaliseerde handeling. In de SCi-548 kan worden vastgelegd dat de meting (= onderdeel van de validatie) uitgevoerd moet worden door een instelling die hiervoor geaccrediteerd is.

Als een inventarisatiebureau of een arbeidshygiënist stelt, dat hij deze handeling zelf heel goed kan dan zou hij/zij zich voor deze verrichting kunnen laten accrediteren.
Arbeidshygiënisten zijn goed in het opzetten van een meetstrategie en maken in de praktijk al vaak gebruik van geaccrediteerde labs voor de pas-metingen.

De klankbordgroep zal Ascert voorstellen dat in de SCi-548 wordt opgenomen, dat een accreditatie nodig is voor een organisatie die metingen (NEN 2939) uitvoert.

Door ISZW is geconstateerd dat dit inmiddels wel kan.

Als eisen worden gesteld aan het autoriseren van validaties (zie antwoord vraag 2) en metingen alleen door geaccrediteerde organisaties worden gedaan (zie antwoord vraag 5) dan zal de kans kleiner worden dat validatierapporten worden afgewezen en is er minder reden om te shoppen. 

Ook een andere DIA kan het rapport beoordelen op basis van (o.a.) het inventarisatierapport.

De verantwoordelijkheid ligt bij het inventarisatiebedrijf en niet bij de DIA persoonlijk. Het is bij het inventarisatiebureau vaak niet de DIA die een extern validatie-rapport beoordeelt, maar b.v. een arbeidshygiënist of een bedrijfsleider.

Stand van de wetenschap is “full-shift” meten, dus 6 of 8 uur. Dit in verband met de grote variatie in de concentratie gedurende een werkdag. Slechts 1 uur meten is dan al een groot compromis, dat de betrouwbaarheid van de meting minder maakt. Als je nog korter gaat meten, zak je kwalitatief door de bodem. Een korte meting wordt niet betrouwbaar door het tellen van meer beeldvelden.

Dit is juist, en wordt ook onderkend door SZW en Ascert. TNO gaat de komende paar jaar SMA-rt door ontwikkelen.
Goede validaties die aangeleverd worden aan Ascert/TNO kunnen ook gebruikt worden om SMA-rt van data te voorzien waarop een risicoklasse algemeen bindend wordt. Op dit moment zijn er te weinig data (zeker van producten die zowel chrysotiel als amfibool bevatten) om risicoklassen “zomaar” te wijzigen.  Daar zijn dus meer meetdata voor nodig.

Omdat niet iedere DIA validaties beoordeelt is het niet zinvol om iedere DIA hier tijdens de opleiding mee te belasten. De klankbordgroep kiest ervoor om in te zetten op kwaliteitseisen bij het meten en bij het autoriseren van het validatierapport.

Dat is met opzet gedaan. Dit gaf te grote verschillen bij verschillende DIA’s die aanpassingen deden zonder gegronde onderbouwing. Aanpassen RK kan alleen door meten; aanpassen werkmethode zonder RK-aanpassing kan door een veiligheidskundige of arbeidshygiënist.

TNO is zeer deskundig, maar dat is geen reden voor een monopolie. De klankbordgroep zet in op meer waarborgen voor de deskundigheid van degene die metingen verricht en die het validatierapport autoriseert.